CHAMPION-AF: een alternatief voor direct werkende orale anticoagulantia
Bij patiënten met atriumfibrillatie bij wie een langdurige antistollingstherapie gecontra-indiceerd is, kan een percutane sluiting van het linker auriculum worden uitgevoerd. Het nut van die procedure bij patiënten die een direct werkend oraal anticoagulans (NOAC) mogen krijgen, blijft echter omstreden. De CHAMPION-AF-studie, die in the New England Journal of Medicine is gepubliceerd, leert dat sluiting van het linkerhartoortje een goed alternatief is voor NOAC’s bij patiënten die in aanmerking komen voor een antistollingstherapie.
NOAC’s vormen de standaardbehandeling bij de preventie ven trombo-embolische accidenten, maar een langdurige behandeling verhoogt het bloedingsrisico en bovendien neemt de therapietrouw op lange termijn af. De gerandomiseerde CHAMPION-AF-studie is uitgevoerd bij 3.000 patiënten met een niet-valvulaire atriumfibrillatie in 141 centra in 16 landen. De gemiddelde leeftijd was 71,7 jaar, de gemiddelde CHA2DS2-VASc-score 3,5 en bijna de helft van de patiënten had al een ablatie wegens atriumfibrillatie ondergaan.
Even doeltreffend als een NOAC
Tijdens een follow-up van drie jaar is een van de items van het primaire samengestelde eindpunt van cardiovasculaire sterfte, CVA en systemische embolie opgetreden bij 5,7% van de patiënten die een sluiting van het linker auriculum hadden ondergaan, en 4,8% van de patiënten in de NOAC-groep (HR 1,20; 95% BI: 0,87-1,66). Daarmee was de non-inferioriteit in vergelijking met een antistollingstherapie bewezen.
De resultaten lijken bijzonder robuust. De Watchman FLX kon met succes worden ingeplant bij 98,8% van de patiënten bij wie de procedure werd geprobeerd. Bij 98,6% van de patiënten kon na vier maanden een effectieve sluiting van het hartoortje, gedefinieerd als een resterend lek ≤ 3 mm, worden verkregen. Wat trombo-embolische accidenten betreft, was de incidentie van CVA laag in beide groepen (respectievelijk 3,6% en 2,5%), zonder statistisch significant verschil tussen de twee groepen.
Duidelijk lager bloedingsrisico
Het opvallendste resultaat van de CHAMPION-AF-studie betreft de daling van het aantal hemorragische complicaties. Niet aan de procedure gerelateerde bloedingen (ernstige bloedingen en niet-ernstige, maar klinisch relevante bloedingen) zijn opgetreden bij 10,9% van de patiënten van de interventionele groep en 19,0% van de patiënten in de NOAC-groep (HR 0,55; 95% BI: 0,45-0,67; p < 0,001). Tijdens de follow-up liepen de curven alsmaar verder uit elkaar, wat toe te schrijven is aan de cumulatieve invloed van langdurige blootstelling aan anticoagulantia.
Dankzij de lagere incidentie van bloedingen waren de netto gunstige klinische effecten, een secundair samengesteld eindpunt van cardiovasculaire sterfte, CVA, systemische embolie en niet met de procedure samenhangende bloedingen, beter in de interventionele groep. Een van de items van het secundaire eindpunt is opgetreden bij 15,1% van de patiënten van de interventionele groep en 21,8% van de patiënten van de NOAC-groep (HR 0,66; 95% BI: 0,56-0,79).
De auteurs onderstrepen echter dat er maar weinig patiënten bij waren met een zeer hoog risico op trombo-embolie. De meesten hadden een CHA2DS2-VASc-score van 3 of 4. Het is de bedoeling de patiënten gedurende vijf jaar te volgen om na te gaan of de procedure een langdurige bescherming biedt tegen CVA en om de plaats van die procedure bij de behandeling van atriumfibrillatie te preciseren.
Referentie:
1. Doshi SK, Kar S, Nair DG, Waggoner T, Agarwal H, Moussavian M, et al. Left Atrial Appendage Closure or Anticoagulation for Atrial Fibrillation. N Engl J Med. 2026;394:2083-2094. doi:10.1056/NEJMoa2517213.